1. Verbind de computer met de camera.

    Nadat u de computer hebt aangezet en hebt gewacht tot hij is opgestart, sluit u de camera aan met de meegeleverde USB-kabel en zet u de camera aan. Sluit Nikon Transfer 2 af als het start.

    Verbinding maken met bedrade LAN´s via de UT-1

    Voor verbinding van de camera met een bedraad LAN via de UT-1 is firmwareversie 1.1 of hoger van de UT-1 vereist. Om de firmwareversie van de UT-1 te controleren, verbindt u de UT-1 met de camera en selecteert u Netwerk > Opties > Firmwareversie.

  2. Start de Wireless Transmitter Utility.

    Klik op Volgende zodra de Wireless Transmitter Utility start.

  3. Selecteer Bedraad LAN (ingebouwde poort/UT-1/WT-7) en klik op Volgende.

    Bestaande profielen importeren

    Netwerkprofielen die zijn opgeslagen op de computer kunnen worden geladen door Instellingenbestand laden te selecteren in Stap 3 en te klikken op Bladeren om het bestand te selecteren. Zie voor informatie over het opslaan van netwerkprofielen “Netwerkprofielen opslaan”. De optie Instellingenbestand laden kan ook worden gebruikt om netwerkprofielen te laden die met een camera zijn gemaakt en die zijn opgeslagen in de hoofdmap van de geheugenkaart van de camera.

  4. Selecteer Profielen toevoegen/bewerken en klik op Volgende.

    Het wachtwoord van de camera wijzigen

    Door het selecteren van Wachtwoord voor de camera wijzigen voordat u klikt op Volgende in Stap 4 verschijnt er een wachtwoordinvoer-dialoogvenster. Als u een wachtwoord invoert in dit venster, vraagt de Wireless Transmitter Utility naar een wachtwoord wanneer de camera verbinding maakt met andere computers. Nadat het juiste wachtwoord is ingevoerd, wordt de prompt niet meer weergegeven.

    Bij standaardinstellingen is de camera niet met een wachtwoord beveiligd; nadat u Wachtwoord voor de camera wijzigen voor de eerste keer hebt geselecteerd, moet u het veld Geef het oude wachtwoord op leeg laten. Voer, om een bestaand wachtwoord te wijzigen, het oude wachtwoord in alvorens het nieuwe wachtwoord in te typen. Selecteer Wachtwoord resetten (profielen gaan verloren) en klik op Volgende. Merk op dat het herstellen van het wachtwoord alle bestaande toestelprofielen van de camera verwijdert. Klik op Vorige om af te sluiten zonder de wachtwoordinstellingen te wijzigen.

    De doelmap en het programma kiezen

    Als Doelmap en programma selecteren is geselecteerd in stap 4, dan verschijnt door te klikken op Volgende een dialoogvenster waarin u de doelmap kunt kiezen voor foto’s die zijn gedownload van de camera in de beeldoverdrachtmodus. Klik op Bladeren om een keuze te maken uit een lijst met beschikbare mappen. Een submap kan worden ingevoerd in het onderstaande veld.

    De standaard doelmap is:

    • Windows: \Users\“gebruikersnaam”\Pictures\Wireless Transmitter Utility
    • macOS: /Users/“gebruikersnaam”/Pictures/Wireless Transmitter Utility

    Het programma dat wordt gebruikt om afbeeldingen weer te geven wanneer de overdracht is voltooid, kan geselecteerd worden uit het Doelmap in het volgende programma openen na overdracht-menu; kies uit Windows Explorer (of in macOS, de Finder), Capture NX-D en ViewNX-i. Programma’s die niet zijn geïnstalleerd, worden niet getoond.

  5. Selecteer Profiel toevoegen en klik op Volgende.

    Om een bestaand netwerkprofiel te wijzigen, selecteert u het en klikt u op Volgende. Om een bestaand profiel te verwijderen, selecteert u het en klikt u op Profiel verwijderen. De Wireless Transmitter Utility kan niet worden gebruikt voor het aanpassen van profielen die zijn beveiligd met behulp van de cameraoptie Wachtwoordbeveiliging. Kies Uit voor Wachtwoordbeveiliging alvorens profielen te verwijderen of aan te passen.

  6. Voer een profielnaam in en kies een verbindingstype.

    Voer een profielnaam van maximaal 16 tekens in en kies een verbindingstype uit FTP-upload, Beeldoverdracht, Camerabediening of HTTP-server. Klik op Volgende wanneer de instellingen zijn voltooid.

    HTTP-servermodus

    HTTP-servermodus is niet beschikbaar wanneer de camera met het netwerk verbonden is via de UT-1.

  7. Selecteer Handmatige configuratie (voor ervaren gebruikers) en klik op Volgende.

    Als het dialoogvenster in de afbeelding niet wordt weergegeven, gaat u verder met Stap 8.

    Automatische set-up

    Als u Automatische configuratie (aanbevolen) kiest in Stap 7, worden TCP/IP-instellingen automatisch aangepast. Ga door naar Stap 9. Houd er rekening mee dat Automatische configuratie (aanbevolen) niet beschikbaar is als:

    • u een bestaand netwerkprofiel wijzigt,
    • u een draadloos LAN-adapter van derden gebruikt of
    • de computer een statisch IP-adres gebruikt.
  8. Pas de TCP/IP-instellingen aan.

    Klik op Volgende wanneer de instellingen zijn voltooid. Raadpleeg de onderstaande tabel voor meer informatie.

    Optie Beschrijving
    Verkrijg automatisch

    Selecteer deze optie als het netwerk een DHCP-server bevat. Verwijder het vinkje bij deze optie als het netwerk geen DHCP-server bevat of als het IP-adres handmatig moet worden geconfigureerd.

    Adres Voer het IP-adres van de camera in.
    Masker Voer het subnetmasker van de camera in.
    Gebruik gateway Als een gateway vereist is, selecteert u deze optie en voert u het gateway-adres in.
    DNS inschakelen Als een DNS-server vereist is, selecteert u deze optie en voert u het IP-adres van de DNS-server in.

    Een IP-adres kiezen

    Het IP-adres van de camera moet afwijken van dat van de computer of ftp-server. Als het IP-adres van de computer bijvoorbeeld “192.168.1.2” is, kan de camera worden toegewezen aan “192.168.1.3”. De adressen toegewezen aan de camera en computer of ftp-server moeten echter tot dezelfde klasse behoren.

  9. Pas de FTP-serverinstellingen aan.

    FTP-server-instellingen zijn alleen beschikbaar als FTP-upload is geselecteerd in Stap 6. Ga door naar Stap 10 als een andere optie is geselecteerd. Nadat u de instellingen hebt aangepast, klikt u op Volgende. Raadpleeg de onderstaande tabel voor meer informatie.

    Optie Beschrijving
    Adres Voer het IP-adres (of URL) van de FTP-server in.
    Poort Voer het poortnummer voor de FTP-server in.
    Map Kies de map waarin afbeeldingen zullen worden geüpload.
    Servertype Selecteer een bedieningsmodus uit FTP en SFTP.
    Anoniem inloggen Selecteer deze optie als de FTP-server anoniem inloggen toestaat.
    Gebruikers-ID Voer een geldige inlognaam in voor de FTP-server.
    Wachtwoord Voer een geldig wachtwoord in voor de FTP-server.
    Gebruik proxyserver Als een proxyserver vereist is, selecteert u deze optie en voert u het IP-adres en poortnummer van de proxyserver in.
    PASV-stand Selecteer deze optie bij het verbinden in de PASV-stand.
  10. Klik op Volgende wanneer de instellingen zijn voltooid.

    Profielinformatie wordt weergegeven; klik op Vorige om terug te keren naar het bevestigingsvenster en de instellingen aan te passen.

  11. Selecteer Wizard sluiten en klik op Volgende.

    Kies Selecteer een andere actie die u wilt uitvoeren en klik op Volgende om het profiel op te slaan en terug te keren naar Stap 3.

  12. Schakel de camera uit en ontkoppel de USB-kabel.

    De ethernetinstelling (Bedraad LAN) is nu voltooid. Voor informatie over verbinding maken met het netwerk vanaf de camera, zie “Verbinding maken met behulp van profielen die gemaakt zijn op een computer”.

Netwerkprofielen opslaan

Klik op Instellingen opslaan in Stap 11 om netwerkprofielen op te slaan in “wts”- of “txt”-formaat. Om opgeslagen profielen te laden, klikt u op Instellingenbestand laden in Stap 3, klikt u op Bladeren en selecteert u het gewenste bestand. Opgeslagen bestanden in “txt”-formaat kunnen naar de hoofddirectory van de geheugenkaart van de camera worden gekopieerd en met behulp van de optie Netwerk in het setup-menu van de camera worden geladen (alleen in de standen FTP-upload en HTTP-server).